Uitgeprocedeerde asielzoekers gaan vaak niet terug naar het land van herkomst. Over de redenen hiervoor bestaan uiteenlopende meningen. Sommigen denken dat het allemaal criminelen zijn die hier een goede boterham kunnen verdienen. Anderen denken dat de belangrijkste reden voor het vasthouden aan hun huidige verblijfstatus de onmogelijkheid om terug te keren is.
In het rapport van Onderzoekscommissie Langdurig verblijvende vreemdelingen zonder bestendig verblijfsrecht
(in opdracht van de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid) Juni 2019 (213 bladzijden) wordt een genuanceerder beeld geschetst.
....
Een rode draad die uit het onderzoek van de Universiteit van Maastricht en de Erasmus Universiteit Rotterdam en de rapporten van het WODC en IOM kan worden gehaald is kernachtig geformuleerd ‘de factor mens’.
De vertrekintentie van de individuele vreemdeling wordt bepaald door een scala aan uiteenlopende sociale factoren en gevoelens. Voor de asielzoeker kan de overgang van de hoop op een toekomst in Nederland naar een aanzegging om te moeten vertrekken naar zijn land van herkomst ingrijpend zijn. Het eerdere besluit om het eigen land te verlaten, is in het algemeen niet het gevolg geweest van een bevlieging. Men verlaat vaak huis en haard niet zomaar, of het nu gaat om personen die oorlogsgeweld ontvluchten of om mensen die hopen in Nederland of Europa een betere toekomst op te bouwen. De reis is vaak kostbaar en niet zonder risico’s, waaronder het gevaar het eigen leven te verliezen. Tegen deze achtergrond is het voor een deel van de uitgeprocedeerde asielzoekers een enorme barrière om onverrichter zake te moeten terugkeren naar het eigen land.
De ervaren schaamte is vaak erg groot. Indien het gaat om mensen die hoopten in Nederland een beter bestaan op te bouwen, geldt vaak dat de asielzoeker de uitverkorene was om het ‘te maken’. Financieel is er vaak door veel mensen bijgedragen aan zijn vertrek. Teruggestuurd worden met lege handen staat gelijk aan falen en gezichtsverlies.
Deze sociale drempels worden verhoogd als angst om terug te keren een rol speelt, bijvoorbeeld vanwege de (gepercipieerde) onveilige situatie in het eigen land.
Het algemene toekomstperspectief speelt eveneens een belangrijke rol in de beslissing om wel of niet terug te keren. Hierin kunnen twee factoren worden onderscheiden, namelijk de ervaren kansen op een zelfredzaam bestaan in het land van herkomst en de ervaren kwaliteit van het leven in het gastland bij illegaal verblijf. Zolang de politieke en economische omstandigheden in Nederland als beter worden beschouwd dan in het land van herkomst is de kans op vertrek klein.
Zeker wanneer er kinderen in het spel zijn, gaat het vaak niet zozeer om het eigen toekomstperspectief, maar vooral om het toekomstperspectief van de kinderen. Omdat de kansen op onderwijs en gezondheidszorg voor kinderen in het eigen land lager worden ingeschat (en mogelijk ook zijn) dan in Nederland belemmert dit de vertrekintentie.
Ook de ervaren mentale en/of lichamelijke gezondheid is van invloed op de vertrekintentie. Zo worden medische voorzieningen in het land van herkomst vaak slechter of minder toegankelijk genoemd. Naar mate mensen langer in Nederland verblijven wordt vertrek moeilijker, en kan hun psychische en fysieke gezondheid verslechteren. In dit verband noemt de commissie ook nog de door de Rijksuniversiteit Groningen en Vrije Universiteit Amsterdam samengestelde nota over het schaderisico bij uitzetting van langdurig verblijvende kinderen.
Ten slotte is de hoop om, net als anderen, uiteindelijk toch een vergunning te krijgen in Nederland een belangrijke reden om geen invulling geven aan de vertrekplicht. Op grond van deze sociale barrières is de vertrekbereidheid over het algemeen erg laag.
....
Geen opmerkingen:
Een reactie posten